![]() |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een
printbare versie (PDF) van het
visiedocument kunt u hier
downloaden. In liefde groeien naar Christus(Efeziërs
4, 15) Inhoud1.
Wij hebben niets dat we niet gekregen hebben (Bijlagen) Deze bijlagen zijn in een apart document opgenomen en bij de scriba op te vragen. 1. Wij hebben niets dat we niet gekregen hebben(1
Korintiërs 4, 7) 2. Kijkend in de spiegelOnze gemeente is wat haar samenstelling betreft heel gevarieerd. Jong en oud, doorgeleerd en al vroeg aan het werk gegaan, alleengaand en levend in een gezin, diepgeworteld in Delft en pas binnengekomen, verscheidenheid genoeg. Er zijn wel kenmerken waarin de gemeente verschilt van andere. Relatief velen van ons studeren aan de TU of hebben dat gedaan. Het is in Delft een goede traditie dat studenten echt aansluiting zoeken bij de gemeente. Maar er is natuurlijk voortdurend doorstroming. Tieners zijn er relatief niet zo veel. In het algemeen kunnen we goed met elkaar praten, al is er soms een beetje vertaalwerk nodig. Maar sommigen van ons voelen zich toch wel eens eenzaam. En er zijn soms te hoge drempels om ons lief en ons leed met elkaar te delen. Velen van ons zijn actief in de gemeente. Er zijn veel structuren bedacht om zaken goed te laten verlopen. De wijken hebben naast ouderlingen en diakenen ook een coördinator voor onderlinge dienstverlening. Het bijbelstudiewerk is goed georganiseerd. Naast de vrouwenvereniging komen groepen met wisselende samenstelling bij elkaar rondom verschillende onderwerpen. Met de jongere jeugd wordt systematisch gewerkt. Er wordt catechisatie gegeven. De jeugdvereniging Pro Libertate komt regelmatig bijeen. Er zijn enkele zogenoemde ‘kleine groepen’, waarin mensen intensief met elkaar omgaan. Gesteund door een commissie wordt gepoogd het evangelie te delen met buitenstaanders, onder andere in alpha-cursussen. Er is ’s zondags een crèche. Wij hebben een kerkgebouw waarvan de ruimtelijke mogelijkheden erg beperkt zijn. Onze kerkenraad werkt hard om het leven van de gemeente te steunen. Wij zingen veel, vooral door toedoen van onze predikant. Er wordt ook veel aandacht gegeven aan de muzikale vormgeving daarvan. De liturgie van onze kerkdiensten is levendig en biedt ruimte voor nieuwe elementen. Naast de kerkdiensten komen velen van ons regelmatig bij elkaar om ons geloof te uiten, in een wat jeugdiger stijl dan we ’s zondags gewend zijn, in de zogenoemde sing-ins. Wij hebben in de afgelopen tijd – via een enquête – sterke en zwakke punten van de gemeente op een rij gezet. We constateerden dat er veel is om dankbaar voor te zijn. Ondanks verschillen van mening die er soms zijn, beseffen we dat wij samen bouwen op het ene fundament, Christus. Wij vertrouwen elkaar als mensen die zich willen laten gezeggen door de Heilige Schrift. Dat spreken wij samen ook uit in onze kerkelijke belijdenissen. Maar er zijn zeker zwakke plekken. We voldoen vaak niet aan wat de apostel Paulus schrijft over de gemeente als één lichaam met veel ledematen. Wij belijden dat wij soms lauw zijn en passief. En dan laten we het werk in de gemeente aan anderen over. Omgekeerd doen we nog te weinig ons best om anderen concreet te vragen om hun gaven in te zetten. En wat wij ook beseffen, is dat wij vaak beschamend weinig terecht brengen van onze opdracht om de grote daden van God aan anderen te vertellen. 3. Gods liefde, daar gaat alles omEr zijn veel manieren om samen te vatten waar het in onze gemeente om zou moeten gaan. De gemeente is een gastvrij huis, voor oude bewoners en voor nieuwe. De gemeente is een krachtcentrale: mensen komen binnen, worden toegerust en gaan erop uit anderen te vertellen van het evangelie. De gemeente verbindt de relatie naar boven met God, de relaties onderling en de relaties naar buiten met elkaar. Het is allemaal waar. In de achter ons liggende tijd hebben we het wel zo onder woorden gebracht: God heeft zijn wereld lief en zond daarom zijn Zoon. Die liefde bevrijdt en vernieuwt ons. Wij beseffen heel diep dat Gods liefde niet vrijblijvend kan zijn, maar een appèl doet op ons allemaal. De Geest wil ons helpen om aan dat appèl gehoor te geven. Als we Gods liefde voorstellen als een licht, dan kunnen we van onze gemeente drie dingen zeggen. Als een zonnebloem richten wij ons steeds naar het licht. Wij verwachten alles van Gods liefde. Dit is de gerichtheid naar boven. Het licht van Gods liefde maakt dat wij als leden van de gemeente kinderen van de dag zijn. De onderlinge verhoudingen zijn helder en open. Dit is de gerichtheid op elkaar. En in de derde plaats is onze gemeente een spiegel die het licht van Gods liefde weerkaatst naar anderen, ook naar buitenstaanders. Dit is de gerichtheid naar buiten. Zo zou het moeten zijn. Deze beschrijving maakt ons heel erg bescheiden, omdat we er vaak maar weinig van terechtbrengen, maar ze inspireert ons ook. Wij zijn ervan overtuigd dat we niet moeten kiezen voor ‘boven’ of ‘binnen’ of ‘buiten’. Om nog weer het beeld van het licht te gebruiken. Hoe kan het lichter worden binnen de gemeente zonder dat de gemeente het licht van boven laat binnenstromen. En hoe zouden we kunnen wachten met het weerspiegelen van het licht van Gods liefde, als dat licht op ons neer straalt? Geve God ons door zijn liefde de moed om open te staan en ook de energie om te groeien. 4. Onze wereld verandert snelWij leven als gemeente in snel veranderende tijden. Soms lijkt het erop dat die tijden ons opjagen. Blijven we wel bij de tijd? Verliezen we als ouderen en jongeren elkaar niet uit het oog als we vasthouden aan wat altijd was of juist als we aansluiting zoeken bij de cultuur van vandaag? Wij zijn als gemeenteleden vast besloten ons niet gek te laten maken. De liefde van God is van alle tijden. Dat betekent dat krampachtigheid niet nodig is. Gods liefde is niet vooral iets van vroeger. Onze gehechtheid aan vertrouwde vormen mag ons niet in de weg zitten. Gods liefde is ook geen ‘produkt’ dat alleen maar verkoopt als de verpakking steeds weer vernieuwd wordt. Maar het is wel goed te beseffen dat de veranderingen in onze maatschappij ook invloed hebben op ons als leden van de gemeente, en ook op de kinderen die binnen de gemeente opgroeien. Wij ontdekken – soms tot onze schrik – dat onze kerkelijke gemeenschap en ook onze plaatselijke gemeente minder bescherming bieden dan vroeger. De grenzen lagen vroeger duidelijker. De ouderen onder ons weten nog hoe vanzelfsprekend we konden terugvallen op wat leidslieden en kerkelijke organen vaststelden. Het lijkt erop dat we meer zelf moeten kiezen en beslissen, ook met onze kinderen. De dijken van onze kerkelijke polder bieden minder bescherming. Terug verlangen naar vroeger is niet zinvol. Om in het beeld van de polder te blijven: met de hulp van de Heilige Geest kunnen we terpen bouwen. God houdt de zijnen vast! Onze geloofsontwikkeling zal nog persoonlijker moeten worden. Wij willen de waarheid van het evangelie niet alleen willen wéten, maar ook erváren. Dat geldt voor ons allemaal, voor jongeren evengoed als voor ouderen. Ook in onze benadering van de mensen buiten de kerk willen wij rekening houden met de veranderende samenleving. Het persoonlijke in de contacten is ook hier belangrijk. Wij willen laten zien dat wij zelf gegrepen zijn door de liefde van God. Niet als mensen die alles precies weten en nooit twijfelen, maar als mensen die geleerd hebben hun houvast te zoeken in Christus. Rekening houden met de cultuur waarin we leven, is natuurlijk niet hetzelfde als je kritiekloos aanpassen aan de wereld in de betekenis die bijbel daaraan geeft. Het is belangrijk dat te beseffen, omdat ‘de wereld’ ook in onszelf is. Wij willen bij voorbeeld vechten tegen het materialisme en het individualisme waarvoor wij niet immuun zijn. En wij constateren met zorg dat het relativisme, dat kenmerkend is voor onze cultuur, ook binnen onze gemeenschap zijn invloed doet gelden. 5. Visie op groei – zeven richtingwijzersToen
onze kerkenraad een commissie ‘visie’
benoemde, hadden wij daar als leden
van de gemeente verschillende gedachten bij. En niet alleen maar
positieve. Gaan we weer eindeloos praten en gebeurt er dus nog jaren
niets? Is dit een
soort verlegenheidsgebaar, omdat we het niet eens worden over concrete
beslissingen? Of
– dachten sommigen van ons – moet alles weer
helemaal anders? Of gaan sommigen misschien hun stokpaardjes berijden?
Maar het is meegevallen. Wij zijn er samen van overtuigd dat het goed
is te zeggen hoe wij onszelf als gemeente zien, concreet in Delft in
2003. Wat is
belangrijk en welke richting zouden we moeten inslaan om nog meer
‘naar
Christus toe’ te groeien?
De zeven richtingwijzers die hieronder worden uitgewerkt, kunnen we als
volgt samenvatten.
Wij willen graag 5.1 Groeien in geloof, hoop en liefdeWij belijden dat Jezus Christus het Hoofd is van onze gemeente. En wij weten dat onze verbondenheid met Hem alles beslissend is, voor ons persoonlijk en ook voor ons samen. Dat betekent dat alles wat wij doen, ook in de organisatie van de gemeente, deze basis moet hebben. Wij zijn dankbaar voor de voorgangers van de gemeente en moedigen hen aan de gemeente naar vermogen op deze geestelijke manier op te bouwen. Daarbij denken wij aan onze predikant en de andere leden van de kerkenraad, maar ook aan jeugdleiders en catecheten, aan mensen die speciale taken hebben in verenigingen en commissies. En wij willen elkaar stimuleren om de geestelijke opbouw van de gemeente niet over te laten aan enkelen. Moge Christus ons leren elkaar op te bouwen in geloof, in hoop en in liefde. Daarbij zal de eerbiedige omgang met de Heilige Schrift een centrale plaats moeten houden. Wij willen ook een biddende gemeenschap zijn. Het gebed zou een sterkere plaats moeten krijgen in het leven van de gemeente. Er zijn ook meer vormen van gebed mogelijk dan wij vanouds gewend zijn. Gebed maakt duidelijk dat wij in afhankelijkheid en verwachting voor Gods aangezicht leven. God moet geloofd en gedankt worden. En wij mogen voorbede doen, voor de wereld, voor elkaar en voor onszelf. 5.2 Groeien in gastvrijheidDe apostel Petrus (1 Petrus 2, 9) leert ons dat de bestaansreden van de christelijke gemeente is de grote daden van God te verkondigen. Want Hij heeft ons uit het duister in het licht gezet. Wij zijn er daarom van overtuigd dat alles wat wij als gemeente doen, open moet zijn naar de wereld om ons heen. In een goede taakverdeling binnen de gemeente kunnen natuurlijk bepaalde mensen worden aangewezen voor bepaalde taken in verband met evangelisatie. En speciale activiteiten als de alpha-cursussen hebben zeker waarde. Maar dat komt niet in mindering op ons aller opdracht. Groeien in gastvrijheid betekent niet allereerst nieuwe dingen doen. Het gaat erom de dingen die we doen zo in te richten dat daarvan een helder getuigenis uitgaat, ook naar buiten. In principe behoort het daarom tot de missie van alle gemeenteleden, van alle gemeenteleden met een speciale functie, van elke groep, vereniging of commissie om steeds te zoeken naar mogelijkheden om buitenstaanders te betrekken bij de gemeente. Heel concreet betekent dit bij voorbeeld dat de kerkdiensten (niet alleen enkele speciale diensten) gastvrijer worden, door de inhoud en de vorm ervan, maar ook door de ontvangst van mensen van buiten, ook na de dienst. Wij zullen ook actiever en concreter bekend maken dat de gemeente graag gasten ontvangt. Maar niet alleen de gemeente als geheel, ook wijken, kleine groepen, bijbelstudiegroepen, verenigingen zullen systematisch zoeken naar mogelijkheden om de rijkdom van het evangelie te delen met anderen. 5.3 Groeien als gemeenschapMet overtuigingskracht naar buiten treden vraagt om een hechte en levende gemeenschap in de gemeente. Wij nemen ons voor de onderlinge band nog te versterken. Dat kan op verschillende manieren. Wij zullen verschillen van mening onderling niet laten uitgroeien tot obstakels in de gezamenlijke beleving van de gemeenschap. Wij zullen rekening houden met elkaars gevoelens. Wij zullen een ontwikkeling die breed steun heeft in de gemeente ook niet dwarsbomen als wij er zelf niet zo blij mee zijn, tenzij het gaat om strijdigheid met de Schrift. Wij zullen actief zoeken naar mogelijkheden om over dit soort dingen met elkaar te spreken in een sfeer van liefde en respect. Wij zullen als gemeente concreet zoeken naar mogelijkheden om de jongeren te betrekken in het gemeenteleven. Dat kan door hen te vragen taken op zich te nemen, bij voorbeeld bij de voorbereiding van bepaalde kerkdiensten. Ook gaan wij onderzoeken of het mogelijk is jongeren door een soort stage kennis te laten maken met wat binnen de kerk veelal door volwassenen wordt gedaan. Het is een goede zaak dat de kerkenraad speciaal aandacht geeft aan de jeugd, onder andere door het aanwijzen van een jeugdouderling. Voor een intensivering van de onderlinge band zullen wijken (of in ieder geval groepen binnen de gemeente) een belangrijke functie hebben en houden. Wij zouden – bij voorbeeld – de wijken kunnen versterken door het instellen van wijkteams, bestaande uit mannen en vrouwen die daartoe door de kerkenraad worden benoemd. Mannen én vrouwen, zeggen wij nadrukkelijk. Want het is belangrijk dat ieder van ons, of we nu man zijn of vrouw, onze gaven kunnen inzetten. Deze wijkteams zouden een taak kunnen vervullen in het pastoraat, in het stimuleren van de onderlinge steun, in het zoeken naar mogelijkheden om ook buitenstaanders bij de gemeente te betrekken. Wij zullen ons inspannen voor een betere communicatie onderling. Bij voorbeeld van de kerkenraad naar de gemeente en omgekeerd. En ook rondom het werk van de verschillende commissies. 5.4 Groeien door onze gaven te gebruikenWij geloven dat de Heilige Geest ieder van ons gaven geeft. En wij willen de oproep van de apostel Petrus volgen om deze gaven in elkaars dienst te gebruiken (1 Petrus 4, 10). Onze gaven zijn heel verschillend. Het zou te ver gaan om ze hier op te sommen. Ze variëren van gastvrij zijn tot besturen, van gebed tot zorgen voor anderen, van profeteren tot volharding in geloof. Eigenlijk kunnen we zeggen dat het de Geest zelf is, die ons gegeven wordt, tot welzijn van allen (1 Korintiërs 12, 7). Zo over gaven te denken, zou vanzelf moeten spreken. Maar is dat niet altijd zo. De neiging om onze gaven voor onszelf te gebruiken, steekt altijd weer de kop op. Soms overschatten wij onszelf. Dan zullen we elkaar herinneren aan onze roeping. Maar soms ook denken we te gering van onszelf. Wij nemen ons voor om oog te hebben voor elkaars gaven en elkaar aan te moedigen om mee te doen. Voor de ontwikkeling van de gemeente moeten niet de formele posities en structuren het uitgangspunt vormen, maar de gaven die aan ieder van ons gegeven zijn. Als gemeente zijn wij al jaren erop uit om de gaven die er binnen de gemeente zijn, te ontdekken en te benutten, onder andere door de coördinatoren die binnen de wijken de onderlinge steun organiseren. Maar het kan nog veel beter. Met name willen wij zoeken naar mogelijkheden om vrouwen meer in te schakelen in de gemeente. Bij voorbeeld in de leiding van de wijken (zoals gezegd in 5.3). Ook bij voorbeeld in taken die vanouds door de mannelijke ouderlingen en diakenen worden verricht. En het zou goed zijn om na te denken over de vraag of vrouwen binnen de gemeente kunnen functioneren als diakenen. 5.5 Groeien door leiderschap aan te moedigenEén van de gaven die de Heilige Geest geeft ten bate van de gemeente is de gave van leiderschap. Belangrijk is te beseffen dat geestelijk leiderschap een dienend karakter heeft. Iemand die leiding geeft, moet zich erop toeleggen de gaven en de energie van mensen te stimuleren, richting te geven en te bundelen Leiding kan een formele basis hebben. Zó geeft de kerkenraad leiding. En de predikant heeft een speciale positie. Maar er is veel meer. De gave van het leiderschap is op alle niveaus binnen de gemeente belangrijk. Overal waar mensen samenwerken aan een bepaalde taak, is leiding nodig. Het is belangrijk om leiderschapscapaciteiten in de gemeente te stimuleren. De verdeling van taken binnen de gemeente moet niet primair gedacht worden vanuit formele posities, maar vanuit de gaven die binnen de gemeente aanwezig zijn. Vervolgens is het nuttig om de taken vast te leggen. Dit geldt ook voor de predikant. Een predikant is vanouds een ambtsdrager met veel en heel uiteenlopende taken. Ter bescherming van de predikant en ook ten bate van de gemeente is het goed die taken te begrenzen. Anderen binnen de gemeente kunnen aanvullende taken krijgen. Als daarvoor inhoudelijk een goede reden bestaat, kunnen ook binnen de kring van predikanten in een regio taken verdeeld worden. Een voorbeeld kan zijn het voorgaan in diensten met een speciaal karakter. 5.6 Groeien in dankbaar vierenDe zondagse erediensten vormen in veel opzichten het hart van ons leven als gemeente. Wij zijn in veel opzichten blij met de wijze waarop de kerkdiensten vorm krijgen. Het evangelie wordt verkondigd. Er wordt gebruik gemaakt van mogelijkheden om de gemeente een actief aandeel te geven. Aan de muzikale ondersteuning van de liturgie wordt veel zorg besteed. Dat is belangrijk, want daardoor wordt actieve betrokkenheid van ons allemaal gestimuleerd. Wij willen in onze erediensten God ontmoeten met hart en ziel. Feit is dat Nederlanders in het algemeen niet zo gauw uiting te geven aan wat diep in hen leeft. En gereformeerde Delftenaren zijn ook Nederlanders. Misschien moeten wat minder bang zijn om te laten merken wat we beleven. Wij willen blijven zoeken naar mogelijkheden om onze vieringen nog te verbeteren. Zoals al in paragraaf 5.2 al is gezegd, willen wij graag dat onze bijeenkomsten een meer gastvrij karakter krijgen voor gasten van buiten. De kerkenraad heeft enige tijd geleden – op voorstel van de evangelisatiecommissie – uitgesproken dat er geen aparte zogenaamde laagdrempelige diensten gehouden zullen worden, maar dat elke zondagse bijeenkomst van de gemeente een echt open en gastvrij karakter moet hebben. Aparte laagdrempelige diensten zullen er niet zijn. Maar dat sluit niet uit dat bepaalde kerkdiensten een speciaal accent kunnen hebben, bij voorbeeld extra afgestemd op de jongeren of de kinderen in de kerk. Wij zijn ervan overtuigd dat dergelijke diensten ook opbouwend zijn voor de ouderen. 5.7 Met voorzieningen die de groei van de gemeente bevorderenVoor een bloeiend gemeenteleven is de beschikbaarheid van een passend kerkgebouw noodzakelijk. Niet alleen is een goede kerkzaal nodig, met goede voorzieningen om alle onderdelen van de liturgie goed vorm te kunnen geven. Er is ook ruimte nodig voor ontmoeting rondom de kerkdiensten. En het moet mogelijk zijn de faciliteiten van de kerk te gebruiken voor alle kerkelijke activiteiten, ook door de week. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de werkbelasting van het kostersechtpaar. Wij vinden dat het verstandig is op korte termijn in ieder geval te gaan sparen, gelijk op met het verder ontwikkelen van plannen. En wij vinden dat overleg en afstemming met de Christelijke Gereformeerde Kerk in Delft noodzakelijk is. 6. ToekomstWij
hebben in dit visiedocument meerdere plannen aangeduid. Uiteraard
is nu concrete uitwerking nodig. Wij verwachten dat de kerkenraad in
overleg met de
gemeente nadere plannen vaststelt en ook de uitvoering bewaakt.
Wellicht is het nodig prioriteiten te stellen en ook activiteiten in de
tijd te spreiden. Meerjarenplannen kunnen een goede functie vervullen.
Maar wij moeten niet vergeten dat er veel talent en energie binnen de
gemeente voorhanden zijn. En zoals wij al eerder hebben gezegd,
betekent groeien
naar Christus toe niet allereerst veel nieuwe dingen doen. Wat we doen
kan
beter. Omdat alles met alles samenhangt, is het verstandig zijn om op
een
breed front te werken. En dat willen sámen doen.
Wij kunnen niet in de toekomst kijken. Maar Christus is Heer. Dat geeft
moed en vertrouwen. En met Luther zeggen we dat we een appelboompje
zouden
planten, zelfs als we zouden weten dat Christus morgen zou terugkomend.
Met Gods hulp zal de gemeente in de komende jaren verder kunnen
groeien, in geestelijke zin, en misschien ook getalsmatig. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||